#56 | Stemming

Daar sta ik dan. In de zusterflat waar ik slaap, sta ik voor de spiegel. Het ochtendritueel van de persoonlijke verzorging. Waarom zou ik het eigenlijk doen? Degene waar ik zoveel om geef ziet het toch niet en zal het ook nooit meer zien. En wat de rest erover denkt, daar geef ik geen snars om.

Het is de ochtend van 15 maart 2016. Zoveel keren heb ik de afstand al afgelegd tussen de zusterflat en de Intensive Care. Het is ongeveer een kilometer lopen. Iedere morgen komt in dat deel van het ziekenhuis de kooklucht van de lunch je tegemoet. In een periode van spanning en pijn in de maag doet het vaak kokhalzen. Ondankbaar, ik weet het, want heb ik er altijd heerlijk gegeten. Maar vandaag? Nee, het zal wel niet meer en ik zou ook niets door m’n strot krijgen, zo verwacht ik.

In de familiekamer waar gisteren de mokerslag werd uitgedeeld, wordt rustig de gang van zaken uitgelegd. Nee, ik wil dít niet, maar er is geen weg meer terug. Rustig luister ik naar het verhaal van de arts en ze geven alle tijd en ruimte voor vragen, maar op die ene vraag is gisteren al een mokerhard antwoord gekomen.

Ongeveer anderhalf uur later, het is dan rond twaalf uur, loop ik op de intensive care vanaf kamer 9 naar de uitgang van de afdeling. De draaideuren waar ik voor het laatst door naar buiten zal lopen komen dichterbij. Het is ongeveer een half uur na het overlijden van mijn vrouw. Halverwege de gang geeft de verantwoordelijk verpleegkundige me een hand. Ze groet me en zegt: “Dus u gaat nu naar huis?” Waarschijnlijk heb ik ze met een verdwaasde blik aangekeken, want vragend kijkt zij mij aan. Ik zie dat nog helemaal voor me. Ze wil bijna zeggen: “Begrijpt u me niet?” Maar dan valt het op me. “Ja,” zeg ik, “ja”. Het dringt tot me door dat dit het volgende is. En dat ik hier nu niets meer heb. Niets meer dan alleen een rode toilettas.

“Dan regelt de uitvaartverzorger het verder met het mortuarium”, hoor ik de arts nog zeggen. De last valt op me. Vijf en een halve maand ziekenhuis in en uit, op en neer van Kapelle naar Rotterdam. En nu heb ik ze niet meer. En natuurlijk snap ik ook wel dat ik ze niet kan en mag meenemen. En….ik….mijn gedachten schieten alle kanten en nu moet ik het allemaal overlaten aan de uitvaartverzorger.

“Ja”, en meer kan ik niet zeggen tegen de verpleegkundige. Misschien heb ik nog wel bedankt gezegd, ik weet het niet. Ik loop met een grote last de draaideuren door. Naar de zusterflat, waar ik de laatste week sliep en waar het uitzicht op de haven van Rotterdam voor altijd z’n associaties met 3-, 5- en 10-Zuid zal blijven houden. Dan de sleutel inleveren bij de receptie en daarna naar huis. Zoveel dingen regelen, het zal moeten.

Vandaag, een jaar later, is de stemming soms weer even intens als die dag. Zelfs op deze dag als een stem uitgebracht moet worden, de dag van de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Ik begrijp de slogan van de partij waar ik op heb gestemd best hoor, maar zelfs die slogan is pijnlijk hard vandaag: ‘Stem voor het leven.’

(een deel van de blogpost kwam al terug in Belasting)

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s